De dienstplichtige soldaat in crisistijd en het meisje

Vervolg van de zoektocht naar de voetsporen van mijn vader.

In oktober 1936 moest mijn vader als dienstplichtig militair in dienst. Hij was ingedeeld bij de Genietroepen en werd gelegerd in de Kromhoutkazerne in Utrecht. Die is inmiddels afgebroken en vervangen door nieuwbouw.
Zijn eerste post naar huis was een briefkaart, die hij schreef op 20 oktober. Er is een tijd geweest dat zelfs van bewaarde post de postzegels werden afgeknipt om in het verzamelaarscircuit te belanden. Op deze manier werd geld voor goede doelen bijeengesprokkeld, bijvoorbeeld voor "de Zending".
Zo ook van deze briefkaart; het gevolg is dat er tekstfragmenten verdwenen zijn die tegenover de postzegel zaten:

Lieve ouders en broers

[ ….. ] hier om half zes aangekomen en konden [ ….. ] tafel gaan. Het heeft uitstekend gesmaakt. Me dunkt dat het hier wel uit te houden is. Ik moet nog even zien een hangslot te krijgen op m’n kastje.

Uit de eerste brief vanuit Utrecht, die hij op 1 november schrijft, blijkt waarvoor dat hangslot nodig was:

Vrijdag heb ik een briefkaartje gestuurd maar nog vergeten te schrijven wat we Donderdag beleefd hebben. ’s Avonds, na het eten, kwam een der jongens van onze kamer tot de ontdekking dat z’n portemonnai, die hij in z’n broekzak aan z’n kastje had hangen, leeggehaald was. Er was ruim drie gulden uitgestolen. We mochten geen van allen de kamer verlaten en direct werd de militaire politie er bij gehaald. Al onze kasten en kleren werden nagezien en ook onze portemonnais werden gecontroleerd. We moesten zeggen waar we ons geld vandaan hadden en er werd bij gezegd dat er bij ons thuis navraag zou worden gedaan wat we hadden meegekregen. U moet dus niet schrikken als er werk van gemaakt word. Eindelijk kreeg ik nog permissie om naar het Tehuis te gaan om te zien of er post voor me was. Ik geloof niet dat de dader al gevonden is, maar van onze kamer zie ik er geen voor aan. Het kan evengoed een van een andere kamer geweest zijn.
Mijn geld heb ik in bewaring gegeven aan mijnheer Begeman in het Tehuis. Er zijn wel meer die dat doen en wanneer we iets nodig hebben kunnen we het opvragen. Een beetje kleingeld heb ik bij me gehouden maar de rest à f 8,50 heb ik in bewaring gegeven, dat lijkt me wel zo veilig.


Slaapkamer der manschappen

Mijn vader werkte als timmerman in de bouw. Het zal nogal  wennen geweest zijn voor hem. En het waren andere tijden, waar dienstplichtige militairen met nauwelijks "zakgeld" etenswaren en geld toegestuurd kregen van thuis:

We genieten een salaris van f 1,09 per week. Hier in het Tehuis waar ik nu ben zijn op ’t ogenblik 30 jongens. Er zitten te schrijven, te praten, te lezen, te dammen enz. Westra van Den Horn is er ook. Verder één uit Grotegast n.l. Zwieringa, een neef van Sietze Hollander uit Roden is hier ook. Meijer heet die. Van de anderen begin ik ook al enkelen te kennen.
Vanmiddag hebben we soep, aardappelen met jus, karbonade en tottie fruttie gegeten. Het eten is bij de Genietroepen uitstekend. Alleen boter krijgen we zuinig maar toch genoeg. Tot de Kerstdagen kan ik me nu best redden met de boter die U gestuurd hebt. Het laatste stuk koek heb ik vanmiddag met een paar andere jongens gedeeld.

Op 17 november 1936 schreef hij zijn tweede brief naar huis.  Hij had de weg gevonden naar het Protestants Militair Tehuis (PMT) waar "onze jongens" verantwoord werden opgevangen in hun vrije tijd, maar blijkbaar was hij geblesseerd geraakt.:

Lieve ouders en broers.

Voor brieven schrijven heb ik nu tijd genoeg want ik mag niet de stad in, dus ook niet naar het Tehuis. M’n been is weer zover klaar dat ik weer een beetje rondloop maar niet buiten de kazerne mag komen. Morgen ook niet. Uw brief heb ik ontvangen (die van Aallie en Geert). Laat ze maar gauw weer eens schrijven, waarover kan me niks schelen als er maar wat in staat. Allen nog goed gezond? Ik wel, alleen nog een beetje een pijnlijke poot.
Het spijt me dat ik nooit gijmnastiek gedaan heb want ik ben zo stijf als een deur, dat merk ik nu wel. Als ik lenig was geweest had ik m’n been ook niet verrekt. Nog een paar dagen vrij van lopende dienst en dan hoop ik dat ’t weer klaar is. ’t Minste is dat ik niet naar het Tehuis mag, en ook niet naar de kerk.

Dat mijn vader stevig gereformeerd was opgevoed blijkt hieruit wel. De afkeer van de grote boze wereld der heidenen, cafébezoekers en andere slechterikken was hem effectief bijgebracht:

Ik heb een paar mooie boeken voor morgen. Die heeft een korporaal voor me meegenomen uit het Tehuis. Hier in de cantine is ook wel een bibliotheek maar van twijfelachtig gehalte. In de cantine kom ik trouwens ook bijna nooit, ’t is net een café.

Ze waren met 4 broers, mijn vader was de oudste. Geert, zijn jongste broertje, had hem blijkbaar een brief geschreven:

Geert wou graag weten wat voor eten of we kregen dus heb ik maar een lijstje gemaakt van een hele week. De Genie heeft een goeie keuken. Alleen bij het brood krijgen we meestal niet teveel boter en wat er verder bij hoort.
Maar we mogen niet klagen! (anders komen we onder de toren)

  ontbijt-soupér dinér
Zondag kug met ontbijtspek aardappelen, peren, pudding, sagopap
Maandag kug met koek aardappelen met savoiekool, gehakt, havermoutpap
Dinsdag kug met br. suiker stamppot met worst en rijstepap
Woensdag kug met kaas aardappelen met koolr. en soep
Donderdag kug met koek erwtensoep (snert) en karnemelksepap
Vrijdag kug met kaas aardappelen met spruitkool en rijstepap
Zaterdag kug met niks aardappelen met rundvleesch en uien

aardappels altijd zwemmend in vet en jus. Altijd weer wat anders en "Verandering van spijs doet .. eten", dus …..

Het was crisistijd, de gewone man had niet veel te bes
teden. De soldij was bespottelijk laag. Ten tijde van deze brief was mijn vader al bijna een maand in dienst, en blijkbaar waren er nog geen uniformen uitgereikt, dus liepen ze nog in hun burgerkleren.
Als je vanaf Utrecht naar Groningen moest om een weekendje thuis te zijn, kostte de treinreis, ondanks korting voor dienstplichtige(!) militairen blijkbaar nog 5 gulden: daar moest hij dus 5 weken voor sparen en niets van zijn soldij aan iets anders uitgeven:

Het zal wel niet lang meer duren dat we de uniform aankrijgen. Volgende Zondag hoop ik er in te lopen.
M’n pakje wordt er hier ook niet beter op zoals U wel kunt begrijpen. De eerste dagen liepen we altijd in burger en toen heeft het nogal wat geleden. Van het hangen wordt het hier ook vuil. De meeste jongens zijn Zaterdagsmiddags en Zondags naar huis zodat we het hier nogal ruim hebben.
Ik zal wel tot de Kerstdagen moeten wachten want een kaartje komt mij met reductie nog op meer dan 5 gulden en dan kan ik ’s avonds (zaterdags) thuis zijn om Zondagsmiddags weer te vertrekken. Dat is de moeite en het geld dus niet waard. Nog even en die vijf maanden zijn weer om en vervelen hoef ik me hier niet. Als ik niet weet wat ik doen moet schrijf ik U een brief of een aan m’n meisje. Bent U daar altijd nog op tegen Moeder? Dat zou me wel spijten want ik meen het werkelijk, daar is niets aan te doen.

Ik schreef al eens dat mijn moeder 5 jaar ouder was dan mijn vader. In 1936 was hij 20. Dat leeftijdsverschil verklaart misschien de moeite die mijn grootmoeder toen had met de verkering van mijn vader en moeder.

Het is allemaal goedgekomen, 6 jaar later zijn ze getrouwd. En natuurlijk is alles  overschaduwd door het vroege overlijden van mijn vader. Ik heb nooit iets gemerkt van een gespannen verhouding tussen mijn moeder en mijn oma. Misschien heeft mijn komst, als eerste kleinkind, daar wel toe bijgedragen. Als ik in de zomervakanties bij opa en oma werd geparkeerd, dan kwam mijn moeder vaak een paar dagen van Emmen naar Hoogkerk, ruim 60 kilometer fietsen. Hier staat ze klaar om weer terug te fietsen.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

5 reacties op De dienstplichtige soldaat in crisistijd en het meisje

  1. J@n. zegt:

    Wat een prachtig verhaal zeg!
    Het interesseerd mij vooral omdat mijn vader ook in die tijd, wel wat eerder, in het leger heeft gezeten in dezelfde kazerne en bij hetzelfde onderdeel, maar zoveel als jij nu schrijft heb ik er nooit van geweten.
    Mijn vader kwam van Breugel, bij Eindhoven en was natuurlijk RK. In de oorlog heeft hij ondergedoken gezeten om niet in Duitsland tewerk gesteld te worden.
    Jammer dat hij niet zo’n briefschrijver was als jou vader.

  2. Dwarsbongel zegt:

    @J@n: Ik ben aan de hand van bewaard gebleven correspondentie gaan zoeken, en dat het bewaard gebleven is, is waarschijnlijk het gevolg van zijn vroege overlijden. Zo waren er nog “tastbare” herinneringen.
    Werd jouw vader ook gemobiliseerd in 1939?

  3. Geweldig verhaal en mooi stukje historie.
    3 gulden gestolen, waren in die tijd begrijp ik bijna drie weksalarissen en was dus een hoop geld.

  4. Wat een ontzettend ‘sober’ leven, zeker voor jongens van die leeftijd, die nog wel in de groei kunnen zijn. En toch houdt je vader de moed erin. Natuurlijk leefden alle anderen net zo, maar het nu haast niet meer voor te stellen.
    Uit die brieven proef je, volgens mij, ook de heimwee naar huis, naar zijn broers en zijn meisje natuurlijk.
    Had hij geen enkel zusje? En hoeveel broers?
    Een groot gezin, denk ik.

  5. Dwarsbongel zegt:

    @Thérèse: Ze waren met 4 broers en daar is het bij gebleven. Mijn moeder kwam wel uit een gezin van 10 kinderen.
    Ik heb gezocht naar gegevens over een gemiddeld weekloon uit die tijd. Ik heb getallen giezien van F. 6,50 tot 17,50 maar daarvan is niet zo goed duidelijk om welke functies dat gaat. Die informatie lijkt vrij schaars. Maar vergeleken daarbij is die soldij voor dienstplichtigen is natuurlijk maar een schijntje, voor een jongvolwassene.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s