Vogelenzang, 4 mei 2010

Vervolg van de zoektocht naar voetsporen van mijn vader.

Technische correcties: 24 en 25 mei 2010

Wikipedia heeft er een doorverwijspagina voor, maar het is niet Vogelzang, of het geluid van zangvogels. Het is de plaats Vogelenzang, die voorkomt in de correspondentie van mijn vader in de dagen kort na de Duitse inval op 10 mei 1940. Hij werd met zijn zoeklichtafdeling verplaatst van de omgeving van vliegveld Bergen (NH) naar Vogelenzang, en probeerde met dagelijkse briefkaarten zijn ouders te laten weten dat met hem “alles wel” was. Eerst, op Pinkstermaandag (13 mei) nog via zijn “Veldpost”-adres, later probeerde hij zijn nieuwe adres door te geven. Dat was: St. Jozefschool, Vogelenzang.

Volgens het “Verslag der gebeurtenissen” (NIMH: Gevechtsverslagen en -rapporten mei 1940 – Archiefnr. 540036) bij de XIe Afd. Zoeklicht tl. “gedurende de periode 10 t/m 14 mei 1940” van Res. Kapt. ir. A.J. Donkersloot, waren “op 9 Mei bij het invallen van de duisternis alle zoeklichten volledig bezet en in stelling gebracht. Op 10 Mei 1940, te 1.40 u. besloot de waarnemend Sectie-Commandant van I-XI Zl.A.tl. op grond van de Luchtwachtdienst-Radiomeldingen ‘Algemeen Alarm’ te maken. De opsporingen hadden geen resultaat, daar de gesignaleerde vliegtuigen hoog boven het wolkendek overvlogen van O. naar W. Het personeel had algemeen de indruk dat het hier een massale Duitsche aanval op Engeland gold.

Later die morgen meldde de zoeklichtbemanning bij het Bio Vacantieoord als eerste de komende Duitse luchtaanval op Vliegveld Bergen. Over het tijdstip is, volgens de verslaggeving, verwarring geweest.
Het bombardement van het vliegveld was in volle gang: “De bemanningen van de Zoeklichten en Svp.’s (Sectie Verzamel Plaatsen) namen de laagvliegende vliegtuigen met geweren onder vuur. Dit vuren werd met mitrailleurvuur beantwoord. Het personeel ontving opdracht ook overdag in de gevechtsopstellingen te blijven en wacht te houden.

Op last van de commandant Vliegpark Bergen, na gepleegd overleg met den Commandant 15e Batt. Lu.A. (Luchtdoel Afweer) werd de volgende nachten niet meer geschenen, omdat de opstelling van de zes zoeklichten te ijl was voor een goede hulp aan de Lu.A. terwijl anderzijds de plaats van het Vliegveld verraden zou worden.
De zoeklichtbemanningen bleven de wacht houden, en kregen tot extra taak om meldingen van eventuele parachutisten door te geven c.q. te verifiëren. Er waren echter geen parachutisten, maar wel veel valse meldingen – al of niet te goeder trouw.

Te 3.30 u. op 14 Mei’40 werd ingevolge bevel C.-Vliegpark de Afdeeling verplaatst naar Bloemendaal. Te 14.00 u. werd ingevolge opdracht Hoofd Verlichtingsdienst van de Luchtverdedigingskring Amsterdam de Afdeeling naar Vliegveld ‘De Ruigenhoek’.” [Deze onaf lijkende zin staat exact zo in het verslag]

Te 19.00 u. was de Afdeeling gereed om de nieuwe gevechtsopstellingen te bezetten. Ongeveer op dat tijdstip deelde de Majoor, Commandant Vliegveld Ruigenhoek mij mede, dat de O.L.Z. gecapituleerd had. Het Hoofd Verlichtings Dienst van de Lvd. A’dam, gaf daarna namens de C.-Lvd.K.A’dam mij opdracht de opstellingsplaatsen niet in te nemen en een wacht bij het materieel te plaatsen. Staf, 1e en 2e Sectie v. XI Zl.A.tl. is toen samengetrokken in de St.Jozeph-School te Vogelenzang, waar al het materieel op de speelplaats is opgesteld.

De St. Jozefschool bestaat nog wel, maar heeft een website waar ik niet veel wijzer van word. De Graaf Florisschool, er pal naast, geeft  wel historische informatie: de St. Jozefschool werd in 1922 opgericht en is in 1983 afgebroken en verhuisd naar nieuwbouw op de huidige locatie. Er kwam woningbouw voor in de plaats.

Al zoekend vond ik een nauwkeurige indicatie waar de school gestaan heeft. Op een website met foto’s van Vogelenzang stond in het gastenboek een opmerking, dat het jammer was dat een foto van die school ontbrak. De schrijver was geboren en getogen “op nummer 290, schuin tegenover de school”.


We gingen een paar dagen op kleinkinderen passen en waren in Noord-Holland. Ik kon een dag alleen weg; die heb ik besteed aan mijn zoektocht. Ik begon met Bergen aan Zee, waar ik in januari ook was geweest toen er nog sneeuw lag en het glad was. Nu wist ik ook beter wat, naast de andere koloniehuizen, precies het Bio-vakantieoord was geweest: bovenop de hoge duinen. Nu maakte ik van beneden een foto van de toren van het gebouw, het enige dat boven de bomen uitsteekt. Daar moet één van de drie zoeklichten dichtbij hebben gestaan.

Biovakantieoord_3104

Vervolgens herhaalde ik bij ’t Woud, huize Schuilenburg, de foto op de ansichtkaart aan mijn vader uit 1940.

Schuilenburg_3107_w

Het was vooral toen en daar, dat ik me voor het eerst realiseerde dat dit hetzelfde jaargetijde was als toen. Mijn vader had eerder eens geschreven over barre kou, maar toen, in mei, was er toen ook zoveel bloesem? Waren er toen ook overal bloeiende bollenvelden?

Bollen_3114

In Egmond aan Zee zocht ik het kerkje, nu museum, waar mijn vader hoogstwaarschijnlijk ’s zondags naartoe ging als het hem vergund was. Ik had de plattegrond verkend via internet. Ik reed een straat in met wegwerkzaamheden, kwam voor een dwingend éénrichtingsbord en liep vast op een versperring wegens nog meer werkzaamheden. Ik keerde met veel gepruts en ging onverrichterzake verder, nu richting Vogelenzang.

Tegenwoordig kun je veel locaties vooraf verkennen via internet. De grootste verrassing was, dat de lege parkeerplaats vlakbij mijn doel vol was. Maar Vogelenzang is niet erg groot, en ik loop nog goed. Nummer 290 was gauw gevonden en ik zag schuin er tegenover rijtjes nieuwe woningen, gehuld in allerlei bloesem.

Woningen_3144

Ik liep een rondje en kwam op een parkeerplaats achter de nieuwbouw, met een paar bomen die er 70 jaar geleden gestaan zouden kunnen hebben. Als de speelplaats achter de school geweest is, dan zouden hier de zoeklichten opgesteld geweest kunnen zijn.

Parkeerplaats_3150

Op die fotosite van Vogelenzang staat geen foto van die oude school, en dat is ook de opmerking die ik vond in het gastenboek. Er staat echter wel een filmpje op die site, en ik vermoed dat daar beelden van het 50-jarig bestaan van de St. Jozefschool in zitten. Het oprichtingsjaar klopt, en het gebouw kan heel goed een school zijn. Ik heb de techniek er even op losgelaten:

Stjozefschoolb

Hoewel er veel nieuwbouw is en het verkeer veel drukker, lijkt het er nog vrij rustig, en er zijn ongetwijfeld huizen die er in 1940 ook al stonden.

Vogelenzang_317778

Dan verbindt mijn wandeling in Vogelenzang het verleden weer met het heden. Ik zie een naambord op een huis, dat brengt mij bij het weblog van Marijke:

Zonzijde_3180

Na Vogelenzang ben ik nog even op zoek geweest naar dat Vliegveld Ruigenhoek, maar dat leverde niets concreets op. Op internet had ik nog wel de site “Mei 1940” gevonden met een kaartje waar vliegvelden en militaire opstellingen uit die tijd op stonden, maar dat had ik nog niet kunnen afdrukken en vergelijken met satellietbeelden van nu.

Kaartje Vogelenzang e.o.
Bron: http://www.mei1940.nl


Ik reed terug naar het noorden, en koos Egmond aan Zee om nog wat rond te kijken. Ik parkeerde op de boulevard en liep de Wilhelminastraat in. Ik had daar al eens gelopen, maar had toen het huisnummer niet bij me van de familie die mijn grootouders ingelicht had dat mijn vader en oom de oorlogshandelingen goed doorstaan hadden. Het was nummer 49. Maar tussen nr. 47 en nr. 53 blijkt nu de nummering onderbroken: er is een zijstraat. Is die straat nieuw, of verbreed?

Wilhelminastraat_3199

Nog even op zoek naar het kerkje/museum dan maar. Lopend deze keer. Wat me ’s morgens met de auto was overkomen, gebeurde me nu bijna weer: ik kwam er vlakbij langs zonder het op te merken. Het gebouwtje staat op een verhoging! En waar ik ’s morgens alleen maar bordjes had gezien met “Torenstraat”, zag ik nu dat boven het dwingende éénrichtingsbord het bordje “Zuiderstraat” zat: niet opgemerkt door de lastige situatie. Ik maak een foto waarop mijn schaduw de voetsporen van mijn kerkgaande vader kruist.

Kerkjemuseum_32013206w

Het is de dag van Dodenherdenking, 4 mei, en op weg naar 20:00 uur. Ik loop het strand op, waar het niet druk is. In de verte zie ik de bebouwing van Bergen aan Zee en loop die kant op. Er staat een heel lange rij strandhuisjes, met af en toe een vlag. Er is één Nederlandse vlag bij en die is halfstok, bijna aan het eind van de rij. Uit dat huisje komt een klein kind het strand op met een bal, een vader volgt. Halverwege tussen deze twee plaatsen: Bergen aan Zee en Egmond aan Zee, die in de correspondentie van mijn vader uit 1940 voorkomen, is het acht uur. Dit is een goede plaats voor mijn twee minuten stilte.

Strand_3242

Geplaatst in Zoektocht naar voetsporen van mijn vader | 17 reacties

Het huis van mijn vader (2)

Vervolg van de zoektocht naar voetsporen van mijn vader.

Huisoostwold_3059

De buitenkant van het huis heb ik niet alleen van destijds in herinnering. Ik heb er een foto van, die is uitgeknipt en op een wandbord geplakt. Het is opgetrokken uit “witte” baksteen met rode randen er tussen. Rondom het huis is een tuin. Als je op de straat voor het huis staat, woonden wij aan de linkerkant. Dat is het deel dat op de foto naar links uitsteekt. Zoals gezegd woonde een ander gezin in het deel aan de rechterkant.
Ik ben er later, ook vrij recent, nog wel eens langs gekomen. De laatste keer was het geelachtig gepleisterd. Dat was wel even wennen.

Achter het huis was een open strook, niet verhard, niet begroeid. Aan de andere kant van die strook was een rij schuurtjes. Hoe de indeling en verdeling was, weet ik niet meer. Wel dat onze WC in zo’n schuurtje was. Het tonnetjes-principe, dat we nu heel erg primitief vinden. Ik heb er tot in de zestiger jaren mee te maken gehad…
Een plank met een gat er in, waar een ton onder stond, die regelmatig geleegd moest worden. Rollen toiletpapier, zoals dat nu gangbaar is, kenden we niet. In die tijd werden oude kranten in stukken gescheurd en dat diende als toiletpapier.

Poepdoos
Zo zag dat er ongeveer uit  – foto: Gijs Sterks

Ik heb op die WC een soort jeugdtrauma opgelopen. Ik had, als drie- of vierjarige kleuter, netjes op die grote poepdoos gepoept, en mama reageerde niet op mijn roepen dat ik klaar was. Tenminste, niet binnen de reikwijdte van mijn geduld. Ik dacht: nou, mama heeft toch gezegd dat ik al een heel grote jongen ben, dus dan kan ik toch zelf mijn bibs afvegen? Wat er precies is misgegaan, heb ik nooit kunnen analyseren, maar het voelde heel raar, glibberig, en het papier wou niet van mijn vinger af! Mama kwam aansnellen op het gekrijs dat ik toen inzette, en redde me. Maar daarna heeft ze wel ontzettend gelachen…

Door datzelfde voorval ben ik later nog eens ernstig ontregeld. Ik zat als 18-jarige knul met twee vrienden in ons stamcafetaria, en had dit verhaal verteld. Op het moment dat ik weer plaatsnam na een korte sanitaire afwezigheid, zei een van de vrienden, zo luid dat iedereen het horen kon: “Ja maar, daar kan ik toch niks aan doen, dat jij met je vinger door het papiertje gegaan bent!”

Op die open strook achter het huis heb ik een van mijn vroegste herinneringen aan een voorval. Ik zal omstreeks twee jaar zijn geweest. De datering heb ik van mijn moeder. De buurman had een stok lopen aanpunten met zijn zakmes. Ik ben op mijn snufferd gegaan, en daarbij kreeg ik een snipper van dat hout in mijn wang. Dat voelde raar, maar het deed pas pijn toen ze het er uit trokken. Dat het geen loze herinnering is, is met enige moeite nog terug te vinden in de vorm van een littekentje.

GlooptNu even iets wat ik mij niet zelf herinner, maar wel een prachtig verhaal vind. Er kwam een oom op visite, een neef van mijn moeder, die vroeg hoe het ging met mijn ontwikkeling. Mijn moeder vertelde een beetje zorgelijk, dat ik nog steeds niet alleen liep. Dat vond die oom ook wel een beetje raar. Hij vertrok weer, en voordat hij op zijn fiets de straat uit was, deed ik mijn eerste stapjes en lachte hem trots achterna…

Het was een landelijke omgeving. De plaatsnaam werd steevast aangeduid als Oostwold (WK). Dat WK staat voor Westerkwartier, ruwweg het deel van de provincie Groningen dat ten westen van de gelijknamige stad ligt, en deels tussen Friesland en Drenthe doorloopt. Tegenwoordig wordt het aangeduid als Oostwold, gem. Leek.Die extra aanduiding is niet overbodig, want in de Groninger streek die Oldambt wordt genoemd, in de omgeving van Scheemda, ligt ook een Oostwold, en er is zelfs nog een gehucht Oostwold bij Siddeburen, dat soms met het Oldambster Oostwold wordt verward.

Als je nu door mijn geboorteplaats rijdt, lijkt er op het eerste gezicht niet zoveel veranderd. Nou ja, de winkel van de kruidenier is er niet meer. Dat huis staat er nog wel, maar het is niet meer te herkennen als winkel. De winkel was net aan de andere kant van een bruggetje over de brede sloot tegenover ons huis. Aan het inwendige van de winkel zelf heb ik geen herinnering. Wel aan de tuin, die aan de brede sloot grensde, en waarvan mijn moeder bang was dat ik er nog eens in zou vallen. In de woonkamer stond een grote klok, zo eentje met lange kettingen en gewichten er aan. Bij wijze van spreken hoor ik de tikken van die klok nog: hard en langzaam. Heel indrukwekkend en bezadigd. Misschien zat er wel meer dan een seconde tussen de tikken.
Achteraf hoorde ik dat de kruidenier eigenaar was van het huis waarin wij woonden, dus kunnen de bezoeken aan de privé-vertrekken van de kruidenier van zakelijke aard zijn geweest. Wat ik ook veel later hoorde, dat hij daar niet met zijn vrouw, maar met zijn zuster woonde, beiden vrijgezel.

Wij woonden aan een straatje waar weinig verkeer langs kwam. Net zoiets als een “dode” bocht van en rivier. In de hoek van de bocht was een smal weggetje, waarlangs je naar Enumatil kon gaan. Dat straatje herinner ik me, want een broer van mijn moeder was onderwijzer in Enumatil, daarom kwamen we er regelmatig langs.
Direct aan het begin van dat weggetje was een boerderij, waar we wel eens kwamen. Daar heb ik mijn eerste indrukken van het boerenleven opgedaan; in mijn jongste jaren dus.
Het is vermoedelijk ook in die omgeving geweest, dat ik voor het eerst in een sloot viel. Wat ik me daarvan herinner is het kolken van water om mijn oren, het verdwijnen van het gewone daglicht, het binnendringen van water in mijn neus en het happen naar adem onder water, wat uiteraard niet lukte. De oorzaak? Iets uit het water willen pakken terwijl ik in wankel evenwicht op de slootkant zat. Blijkbaar ben ik snel weer opgevist.

190421_adreszegelOnze post werd destijds geadresseerd: E66, Oostwold (WK), blijkens de ansichtkaart die mijn vader in 1944 stuurde vanuit het ziekenhuis, voor mijn eerste verjaardag. Hij heeft er dus niet meer bij kunnen zijn, lijkt de conclusie. Mijn moeder moet de kaart aan mijn knuistjes hebben ontworsteld, want hij is gekreukt geweest door mijn te groot enthousiasme.
Als ik op internet de plattegrond bekijk, heet de straat nu Kerkeweg. Ik kan via de satelliet nu voor het eerst op het dak van mijn geboortehuis kijken.

Een ander verhaal uit Oostwold, dat mijn moeder ooit vertelde. Na het overlijden van mijn vader zijn er Duitse soldaten bij ons ingekwartierd geweest. Er is een keer iets voorgevallen, waarbij één van de Duitsers iets onhandigs deed. Mijn moeder moest daar erg om lachen, maar dat durfde ze niet te laten merken. Ze sloeg de handen voor haar gezicht. Een van de Duitsers zei medelijdend: “Ach, sie weint…”, waarop ze snikkend van het lachen naar buiten is gerend!

Ook van horen zeggen, over mijn eigen heldhaftige verzet: bij de bevrijding moet ik bijna (of net) 2 zijn geweest. Het onderscheid tussen oprukkende geallieerden en vluchtende Duitsers ontging mij uiteraard nog, maar ik heb ongetwijfeld met mijn grote oren meegeluisterd met de gesprekken over de naderende bevrijders, en hoe die verwelkomd zouden moeten worden. Ik stond bij het tuinhek, terwijl er een groep militairen langsmarcheerde. In mijn kleuterig taaltje zou ik iets geroepen hebben als: “Helloo bojs, kanadeese!”. Ik ben rap naar binnen gesleurd, want het waren Duitsers, die ongetwijfeld verre van vrolijk waren.

Teiltuinw

Dit is een zomerse foto uit de tijd dat ik al wat groter was. In de voorste teil zit ik, de andere twee zijn de kinderen van de buren uit het andere deel van het huis. Mijn geheugen zegt dat het meisje Coby van Es (of van Esch?) heette, de ander is haar broertje. Ik ben benieuwd wat er van ze geworden is.

Geplaatst in Zoektocht naar voetsporen van mijn vader | 8 reacties

Het huis van mijn vader (1)

Vervolg van de zoektocht naar voetsporen van mijn vader.

Papa_en_ikNou ja, mijn geboortehuis. Ik denk dat mijn vader, bouwkundig opzichter, het gehuurd had, misschien met het idee om het later te kopen. Of, zoals zijn vader, uitvoerder, later zelf een huis te bouwen. Het huis stond in een klein, stil dorp, middenin de regio waar hij werk gehad heeft, en niet al te ver van zijn geboortedorp.
Dit hiernaast is de enige foto waar mijn vader en ik samen op staan. Minder dan een jaar later was hij er niet meer. Op de achtergrond de schuurtjes, die in deel 2 aan de orde komen.

Als bouwvakker werkte hij steeds op een andere plaats, te beginnen vanuit net ouderlijk huis in Hoogkerk-Vierverlaten. Ik heb weinig concrete informatie aan welke projecten hij gewerkt heeft. Wel heb ik een aantal foto’s van projecten waarbij hij waarschijnlijk betrokken is geweest.

Bouwwerken

En ik heb correspondentie uit 1941, waaruit blijkt dat hij betrokken was bij het bouwen van een aantal bruggen bij Hurdegaryp; dat was dus vóór zijn trouwen.
Dat waren betonnen bruggen, en dat zou in verband gebracht kunnen worden met het bedrijf waar opa ook werkte en zelfs aan de rand van het bedrijfsterrein woonde. Dat bedrijf heeft in de loop der jaren veel naamsveranderingen ondergaan. In mijn herinnering is de oudste naam Kool & Wildeboer, daarna kwamen o.a. Betonbouw, ABEX, en tegenwoordig HIBEX; kijk bij Gelkinghe.

Bij het zoeken naar informatie over Kool & Wildeboer vond ik dat aan die naam nog een smet kleeft uit de tweede wereldoorlog: het bouwen van bunkers voor de Duitse bezetter. Het resultaat daarvan is nog te zien: o.a. de grote bunker de Wassermann op Schiermonnikoog. Ik ben later vaak op Schiermonnikoog en op de Wassermann geweest. De bunker is nu weer inwendig toegankelijk gemaakt.

Vult dit een gat in het verhaal over mijn vader? Ik heb een vage herinnering, dat mijn moeder vertelde dat mijn vader moest werken voor de Duitse bezetter. Als er dan Duitsers kwamen kijken hoe het werk vorderde, was mijn vader bijvoorbeeld een hamersteel aan het maken, “omdat hij zó hard gewerkt had dat zijn hamersteel kapot gegaan was”.Voor het bouwen van de bunkers werden veel bouwvakkers van de vaste wal gehaald. Het zou niet onlogisch zijn dat mijn vader toen bij Kool en Wildeboer werkte. Er zijn op die manier meerdere mensen gevrijwaard van de Arbeitseinsatz in Duitsland.

Hoe de houding van mijn vaders familie tegenover de Duitse bezetter was, heb ik nooit besproken gehoord, maar de familie zat stevig in de Anti-Revolutionaire hoek. Opa’s werkgever, Wildeboer, zat 23 jaar voor de ARP in de Gemeenteraad. Opa heeft bij mij veel later nog wel eens de indruk gewekt nog steeds min of meer in angst te leven voor “de Bolsjewieken“.

De jongste broer van mijn vader moet ondergedoken zijn geweest in het ouderlijk huis, om te ontkomen aan Duitse tewerkstelling. Als de kust veilig was, maakte hij dingen als schemerlampjes van triplex, waar hij de Nederlandse leeuw uit figuurzaagde en dan kwam er doorschijnend oranje papier achter. De ruimte waar hij zich verstopte heb ik later nog wel eens gezien. Dat is nog eng genoeg geweest, want geallieeerde vliegtuigen hebben het nabijgelegen treinstation beschoten, met als resultaat kogelgaten in het dak van het huis en mijn oom’s schuilplaats. Over de andere twee broers ken ik geen enkel verhaal uit die tijd, en ik kan het ze ook niet meer vragen.

Mijn eerste bezoek aan Schiermonnikoog was als “bleekneusje” in vakantiekoloniehuis “Elim”. Dat moet ergens tussen 1950 en 1956 geweest zijn. Had mijn moeder een keus tussen koloniehuizen? Koos ze voor Schiermonnikoog omdat…?

Mijn oom (tweede van de broers) heeft later tegenover mij dat verhaal van de hamerstelen ontkend, maar dat gebeurde op een manier die mij niet helemaal overtuigde. Was dat omdat hij geen smet op mijn vader, zijn “voorbeeldbroer”, duldde? Of had ik blind vertrouwen in het verhaal dat ik mij van mijn moeder herinnerde?

Maar goed, de bunkers werden gebouwd in 1940, en mijn ouders trouwden in 1942, op 28 mei. Toen zullen ze in mijn geboortehuis zijn gaan wonen. Mijn vader heeft dus slechts 2 jaar, van 28 mei 1942 tot 14 mei 1944, met aftrek van verblijf in het ziekenhuis, plezier van dat huis gehad.
In 1943 werd ik geboren, en dit lijstje, dit deel meest in het tekenaarshandschrift van mijn vader, geeft aan dat ik voorspoedig groeide.

Gewichtlijstje6wk

Onlangs ontdekte ik de preciese datum van de verhuizing van mijn moeder en mij vanuit mijn geboortehuis, via een bewaard gebleven Distributie Stamkaart van mijn moeder. Toen bleek te kloppen wat ik altijd gedacht heb, dat ik vier was bij die verhuizing.
Dat is inmiddels ruim 62 jaar geleden. Toch herinner ik me het een en ander van dat huis en die omgeving. Niet zo lang voordat dat niet meer kon, heb ik met mijn moeder doorgenomen wat er nog klopte van mijn herinneringen. Dat is nu ook alweer zo’n 30 jaar geleden.

Ik had de slaapkamer boven, aan de voorkant van het huis, in herinnering als een licht geschilderde kamer met een bedstee onder het schuine dak aan de linkerkant als je de kamer binnenkwam. Dat klopte met haar herinnering.
Je kwam in die kamer over een grote, open zolder met een bruinige, blankhouten vloer.Het was in en vlak na de oorlog. Op die zolder lagen zoete appels te drogen (om stamppot van te maken: “haite bliksem“). In een hoek hingen zelfverbouwde tabaksbladeren te drogen.

Wij woonden in het westelijke gedeelte van dat huis, in het andere gedeelte een gezin met twee kinderen. Wij hadden de beschikking over een voorkamer, een woonkeuken en een achterhuis met stenen vloer. Daar was een aanrecht met blauw geverfde kastjes en een pomp.
De trap naar de zolder, ook blauw, was in dat achterhuis; het is de eerste trap waar ik geconfronteerd werd met de zwaartekracht. Het was gelukkig maar een paar treden. Wat ik me ook herinner is, dat ik daar een keer omgevallen ben met de kinderstoel die mijn vader voor me gemaakt had. Ik duwde me met mijn voeten af tegen het aanrecht, tot ik de balans verloor.

Breimachines

In de voorste kamer beneden had mijn moeder een aantal breimachines (foto’s: Audax Textielmuseum Tilburg) opgesteld op blankhouten tafels. Verschillende machines voor verschillende soorten breiwerk, onder andere een rondbreimachine. Daarmee probeerde ze de kost te verdienen nadat mijn vader was overleden. Of misschien was ze daar al eerder mee bezig, om het gezinsinkomen te verruimen, want het was oorlogstijd, bedenk ik me nu. En dan kan het ook heel goed, dat mijn vader eigenhandig die tafels gemaakt heeft.

Wolhouder2488Eén hulpmiddel van mijn moeder’s breispullen heb ik nog. Onlangs heb ik de verbindingen voorzien van nieuwe touwtjes: de oude touwtjes waren aan ouderdom ten prooi. Hiermee bereidde mijn moeder de wol voor voor verdere verwerking, op spindels voor breimachines of bolletjes voor handwerk.

(wordt vervolgd)

Geplaatst in Zoektocht naar voetsporen van mijn vader | 4 reacties

Van jampot likkelik en boterhammen met tevredenheid

Ook gepubliceerd op driemaaldrie, "herinneringen"

Mijn moeder en ik woonden bij opa en oma, de ouders van mijn moeder. Opa was  gepensioneerd, nadat hij van 1907 tot 1940 het eerste hoofd van de School met den Bijbel was geweest in Nieuw Amsterdam. We hebben het over de periode vanaf 1948, dus volop in de wederopbouw na "De Oorlog". In de beginjaren was oma ook leerkracht aan diezelfde school. Nee, ze waren al getrouwd voordat opa zijn aanstelling kreeg.
In die tijd dienden de leerlingen nog netjes met de armen over elkaar te zitten en braaf te luisteren. De klassen waren groot, dus als onderwijzer moest je streng zijn.
Ik herinner me opa en oma als "streng maar rechtvaardig".
Het gezin van opa en oma was ook groot geweest. Er waren negen kinderen uitgevlogen en hadden inmiddels zelf gezinnen gevormd. Eén dochter woonde nog thuis, en er kwam dus één dochter met kroost terug.

De regels waren duidelijk. Tussen de middag werd warm gegeten op een vast tijdstip, bepaald door de klok van de fabriek waar mijn moeder werkte, en de klok van mijn school. Het was een met tegenzin toegestane afwijking van het exacte tijdstip van twaalf uur.
’s Avonds werd er om klokslag zes uur brood gegeten. Iedereen diende dan met (aanvankelijk nog onder de pomp!) gewassen handen aanwezig te zijn.

Ofschoon opa en oma niet tot een armoedige klasse gerekend hoefden te worden, werd ik opgevoed tot het besef dat decadentie verre van ons diende te blijven. Ik mocht brood met beleg, als ik eerst twee "boterhammen met tevredenheid" had gegeten: behalve boter mocht daar niets op. Daarna had ik meestal keuze uit jam, kaas en bruine suiker. Soms was er vleesbeleg of een soort zelfgemaakte hüttenkäse.
De pot met bruine suiker stond altijd naast opa’s bord. Een lage, brede glazen suikerpot op een vernikkelde schotel en met een vernikkeld deksel waarin een uitsparing voor de suikerlepel.

Het huis van opa en oma was uiteraard de centrale plaats in de familie. Er werd altijd een oplossing gevonden voor het, soms grote, aantal eters. En iedereen wist, dat opa de bruine suiker beheerde. Zo werd een neefje van een jaar of acht, weer in zijn thuisdorp in het westen des lands, door zijn moeder naar de winkel gestuurd om bruine suiker te halen. Het was in de tijd dat nog niet iedere zoutkorrel apart in plastic verpakt was met merknaam, maar veel producten nog los uit een vak of ton in een universele verpakking werden geschept. Hij kwam onverrichter zake terug, want die "domme" kruidenier wist niet eens wat "opa-suiker" was…

En hoe kom ik er nu ineens toe om dit verhaal op te schrijven? Ik ben de laatste tijd weer eens helemaal aan de aardbeienjam en onze jampot was leeg. En in een lege jampot zit altijd nog jam. Dat was vroeger feest: met stukjes brood en een vork mocht ik dan de jampot schoonmaken. Na het eten. Het laatste er uit halen. Jampotten werden toen nog afgewassen en ingeleverd voor het statiegeld.
Op de stukjes brood waarmee ik de jampot schoonmaakte, zat de jam dikker dan ik gewoon op brood mocht doen. Zou mijn tante daar iets mee te maken gehad kunnen hebben?
Ik hoorde ineens dat oude kinderliedje, met dat refrein:

Van jampot jampot likke likke lik
En daarom ben ik hier

Grappig, dat je dat zomaar kunt terugvinden op internet! Maar opa’s suikerpot heb ik niet kunnen terugvinden.
Ik heb onze lege jampot schoongemaakt met stukjes brood en een vork. Decadent, he?

Geplaatst in Uncategorized | 16 reacties

De Tabernakel achter het luik

Het was een verborgen ruimte, die zijn toegankelijkheid verried door een horizontale kier in de betimmering van de overloop op minder dan anderhalve meter hoogte. De functie van die naad werd benadrukt door een houten draaigrendeltje, dat een krapje werd genoemd. Een deurtje zonder scharnieren, dat je kon uitnemen en wegzetten, oftewel een luik.
Het eerste wat je tegenkwam als je door dat luik de ruimte er achter binnenging, was een houten kist. Ongeveer een meter lang, een halve meter hoog en een halve meter breed, bruin gebeitst en aan beide uiteinden een houten handgreep.

Bij verhalen die je hoort vertellen, vorm je vanzelf beelden uit je herinnering en je fantasie. Bij de verhalen uit de Kinderbijbel en later de Bijbelse verhalen op school, associeerde ik die kist altijd met het begrip: Tabernakel. Die kist bevond zich dan natuurlijk in een andere ruimte, met veel gordijnen en kleden van zware stoffen in gedekte kleuren. Plaatjes in de Kinderbijbel zullen daartoe hebben bijgedragen.

De ruimte waar onze kist echt stond, een afgetimmerde ruimte onder het schuine dak, werd gebruikt als bergplaats voor spullen waar je niet vaak bij hoefde. We bevinden ons in het huis, waarvan ik pas onlangs de exacte datum ontdekte dat wij daar gingen wonen; ik was nog net geen vijf jaar. Mijn moeder en ik trokken in bij opa en oma en een nog thuiswonende zus van mijn moeder, tante Mien.

Mijn moeder kreeg een grote zit-slaapkamer, waar ze ook wat van haar spullen kwijt kon. Zoals de salontafel die mijn vader had gemaakt. Het blad was een kunstig gemaakt mozaïek van triplex, waarschijnlijk het mooiste wat hij op dat gebied gemaakt heeft. Ook het door mijn vader gemaakte dressoir stond in haar kamer, met alle diverse serviesgoed er in dat bedoeld was geweest om een gezinsleven lang gebruikt te worden.

Mijn moeder sliep op een opklapbed, zodat er ook sprake kon zijn van een zit-functie in haar kamer. Dat die kamer waarschijnlijk met pijn in het hart is afgestaan door opa (en oma), ben ik me pas veel later gaan realiseren. Hij moest nu zijn vele dikke boeken lezen in de woonkamer en zijn schrijfwerk en calligrafie aan de huiskamertafel doen.

Opa was hoofd van de Gereformeerde School te Nieuw-Amsterdam geweest van 1 januari 1907, tot hij op 1 september 1940 werd gepensioneerd. Daar vóór was Opa onderwijzer in Leiden. Op 19 december 1906 trouwden opa en oma, en ze werden de eerste leerkrachten aan de school in Nieuw-Amsterdam.

Opa en oma hadden dit huis naar eigen inzichten laten bouwen om na hun pensionering gerieflijk te wonen. Daarbij moet opa die grote kamer in gedachten gehad hebben als studeerkamer, al of niet gecombineerd met de echtelijke sponde. Zijn enorme bureau, dat bijna de hele breedte van de kamer voor het raam in beslag nam, stond er nog, en er hing een pijpenrekje met lange kalken pijpen met het toen al clichématige opschrift: “Een tevreden roker is geen onruststoker”.

Er moest ook een slaapplaats worden gevonden voor mij. In die grote slaapkamer was een deurtje, dat toegang gaf tot net zo’n verborgen ruimte als waarmee dit verhaal begon, alleen was deze ruimte groter, vooral hoger. Ook het deurtje was hoger en het had scharnieren.
Het werd het veiligste kamertje dat ik ooit gehad heb, die “loze” ruimte onder het schuine, degelijk afgetimmerde houten dak. Vaak heb ik vlak boven me de regen en de wind tegen de dakpannen tekeer horen gaan, maar toch voelde het daar altijd veilig.
Mijn bed moest ingekort worden. En er moest gezorgd worden voor voldoende toevoer van frisse lucht. Daarvoor werd een gat gezaagd in de houten wand die boven het trapgat uitkwam, en afgedicht met vliegengaas. Mijn eigen venster op de wereld van de grote mensen.
Als ik ’s avonds naar bed moest, mocht ik nog even spelen op de mondharmonica, die ik had gekregen omdat ik niet aan het orgel (harmonium) mocht komen. Zo was ook gemakkelijk te horen of ik niet te lang doorging.

Toen ik wat avontuurlijker begon te worden, ontdekte ik dat mijn slaapkamertje in verbinding stond met de ruimte waar de “Tabernakel” stond. Om daar te komen, moest ik wat spullen opzij schuiven en me er tussendoor manoeuvreren. Alleen was het lastig dat ik me dan steeds verder van een lichtbron verwijderde. Het enige licht kwam door een paar heel smalle kieren.
Ik droom nog wel eens, dat ik in een huis ben waar ik me via dergelijke kruip-door-sluip-door-ruimtes van de ene kant van het huis naar de andere begeef.

De kist was op slot, mijn moeder had de sleutel. Hij bevatte mysterieuze voorwerpen, waarvan de functie mij aanvankelijk onbekend was, maar vanaf de eerste keer dat die kist in mijn bijzijn openging, herinner ik me die specifieke geur.
Later leerde ik, dat het de gereedschapskist van mijn vader was. Ik denk dat die geur hoort bij het vet dat hij gebruikte voor het onderhoud van zijn gereedschap. Ook na jaren vrijwel ongebruikt daar te staan, roestte het niet.

Twee zagen, een grote en een kleinere, waren op een handige manier aan de binnenkant van de deksel bevestigd. Je kon ze snel pakken, omdat ze met een “krapje” waren vastgemaakt. Uiteraard waren er allerlei schaven en wat dies meer zij.
Langs de zijkanten zaten latjes, waar beitels, vijlen en tangen achter waren gestoken. Het intrigerendst vond ik het tangetje dat diende om de tanden van een zaag goed af te stellen, nadat deze geslepen (gevijld) was. Tegenwoordig gebruiken veel mensen een zaag met geharde tanden. Die kan niet geslepen worden, wordt vervangen door een nieuwe en weggegooid. Wie kan er nog een zaag vijlen en goed instellen, en wie doet dat nog? Ik denk dat een nieuwe zaag nu goedkoper is dan hem te laten scherpen.

In zekere zin was die gereedschapskist ook een Tabernakel, een heiligdom ter herinnering aan mijn vader: hij wist dat goed gereedschap het halve werk is, daarom ging hij er heel zorgvuldig mee om. Ook omdat nieuw, goed gereedschap kostbaar was. En hij heeft er zulke prachtige dingen mee gemaakt.
Is dat gereedschap altijd ongebruikt in die kist gebleven? Nee. Voor klusjes waar opa’s eigen gereedschap tekortschoot, werd de kist aangesproken. Het gebruikte gereedschap ging daarna keurig verzorgd weer terug.

Later is mijn moeder hertrouwd. Zo kreeg ze alsnog het grote gezin waar ze ooit aan gedacht moet hebben in haar jonge jaren. Ze kwam zelf uit een gezin met tien kinderen en ik heb haar daar nooit anders dan enthousiast over horen vertellen.
Nu kreeg ze in één klap ook zo’n groot gezin, in plaats van alleenstaande moeder met één kind te zijn.

Dat betekende wel een herschikking van onze spullen. In het kleine huis van dit grote gezin hadden we nog minder ruimte dan tot nu toe. De mooie salontafel werd al spoedig ten offer verklaard aan houtworm.
De oudste nog thuiswonende zoon was opgeleid tot timmerman. Hij ging emigreren naar Australië en wou graag wat van het gereedschap mee, als “startkapitaal”. Het is mij gevraagd, mijn moeder heeft het met mij overlegd. Ik heb ermee ingestemd, en daar heb ik op zich geen spijt van. Ik was van goede wil om in te voegen in dat nieuwe gezin.
Wat me wel moeilijk valt, is dat ik daar voor mijn gevoel weinig voor teruggekregen heb. Rationeel begrijp ik dat wel, want voor die nieuwe familie was het gewoon gereedschap, voor mij was het veel meer. Inderdaad, spullen uit de Tabernakel.

Ook bleek later dat mijn stiefvader zich gereedschap uit de kist had toegeëigend zonder dat ik daarvan wist. De verhouding tussen hem en mij zat toen al in een negatieve spiraal, en het woog nog zwaarder doordat de man tangetjes had verdonkeremaand, die ik van mijn verjaardagsgeld had gekocht als investering in mijn beroepskeuze.

Een paar stukken gereedschap van mijn vader heb (en gebruik) ik nog steeds. Een bankhamer, een winkelhaak, een zwaaihaak, een ijzerzaag, een glassnijder, een schietlood en een duimstok. Het is maar een klein deel van het oorspronkelijke arsenaal. De geur van de gereedschapskist is al lang verdwenen, maar die kan ik nog moeiteloos oproepen uit mijn geheugen.
Opa, mijn vaders’ vader, heeft toen ik op kamers ging wonen, van de lege gereedschapskist een kastje gemaakt. Bij mijn laatste verhuizing is dat naar mijn zoon gegaan.

Langs een andere weg ben ik in het bezit gekomen van een zaag uit de jonge jaren van mijn vader. Zijn initialen staan in het handvat geprikt. Die “kreeg ik terug” van de minst technisch aangelegde broer van mijn vader, de derde van de vier broers. Mijn vader gebruikte die zaag op de Ambachtsschool, en gaf hem aan mijn oom toen hij ging werken en professioneel gereedschap kon kopen.


Rechts vooraan met zaag, mijn vader op de Ambachtsschool

Deze zaag heeft een rituele plaats gevonden boven mijn werktafel. Hij is bevestigd op een plank, zoals de andere zagen van mijn vader bevestigd waren aan de deksel van zijn gereedschapskist.
Dat is nog steeds een Tabernakel, maar nu achter het luik van mijn herinnering.

Geplaatst in Zoektocht naar voetsporen van mijn vader | 7 reacties

Reizen en vervoer toen

Update 20 maart 2010: aanvulling bij de verwijzing naar de boderijders.

Mijn vroegste “reisherinneringen” zijn vaag. Bijvoorbeeld, dat mijn moeder mij in de kinderwagen duwde van Oostwold (WK), waar wij woonden, naar Enumatil, waar haar oudste broer schoolhoofd was. Een wandeling van ruim 3 km volgens Google Maps. Het huis waar hij woonde met zijn grote gezin (7 kinderen) leek toen zo groot, maar als ik er nu voor sta met StreetView blijft er niet veel van over. De muur van het binnenplaatsje, waartegen de jongens moesten plassen omdat anders de ton (WC) te vlug vol was, lijkt ook weg.
Dat kleine dorp was streng verdeeld in twee soorten Gereformeerden, en dan nog “Openbaren”. In 1957 vertrok mijn oom met zijn gezin naar Den Haag. Een hele overgang, lijkt mij…
Wij waren begin 1948 al uit Oostwold vertrokken naar Emmen, terug naar de geboorteregio van mijn moeder.

De school is volledig vervangen door nieuwbouw. Er rest mij een anekdote over mijn oom en de school, me door mijn moeder in geuren en kleuren verteld.

Enumatil24_001_school
Bron foto: Website Enumatil

Waterleiding was er nog niet in die tijd. Drinkwater kwam uit de regenput, al of niet per pomp. Water om schoon te maken kwam uit de sloot. In de school was geen pomp, dus geen drinkwater voorhanden.
Mijn oom nam altijd een oude inktfles met drinkwater mee van huis, voor hemzelf en voor de bloemen. De schoolschoonmaaksters dronken na schooltijd ook nogal eens uit die fles. Dan was de volgende morgen de fles leeg, terwijl mijn oom dacht: er zit nog genoeg in.
Hij was dat op een gegeven moment zat en bedacht er iets op. Hij maakte een indrukwekkend etiket, dat hij op de fles plakte. De tekst luidde: “Aqua Pompa Non-Destillata”. De schoonmaaksters hebben nooit weer uit die fles gedronken.

Inktflessen_9122
Foto gemaakt in Veenpark Barger Compascuüm

Nog twee reisherinneringen van voor onze verhuizing naar Emmen.
De eerste is achter op de fiets bij mijn moeder. We waren naar Hoogkerk geweest en reden terug naar Oostwold. Mijn benen in de fietstassen, lekker dicht achter mijn moeder. Het had geregend. Elke boom die we passeerden, reflecteerde het geluid van de banden op het natte wegdek: psjioeuw… psjioeuw… psjioeuw…

De tweede was mijn eerste ervaring met achter een paard zitten. Mijn moeder had een manier gevonden om mij naar mijn grootouders in Hoogkerk-Vierverlaten te vervoeren zonder dat ze zelf mee moest. Ik was hooguit 4 jaar.
In die tijd had je nog “boderijders” of “bodediensten”. Die onderhielden een  beurtdienst voor goederenvervoer. In Oostwold had je Alkema, die een aantal keren per week naar de stad Groningen reed met zijn paard en wagen. Op het bodenterrein kwamen al die boderijders uit alle richtingen bij elkaar en wisselden dan de goederen uit voor de juiste bestemming. Alkema kwam onderweg langs het huis van opa en oma, en leverde mij daar af. Veel later, na het opheffen van zijn bodedienst, was hij brugwachter op de hefbrug voor het huis van opa en oma. Ik ben toen nog wel eens omhoog geweest op die brug.

Wie meer wil weten over boderijders en foto’s van dergelijke paard en (speciale) wagens kan hier en hier terecht.

Aanvulling 20 maart 2010: Ik vond nog een fotoalbum met boderijders met paard en wagen, dat hoort bij een web-log over bodediensten.
Ook vond ik een video van RTV-Noord, waaruit blijkt hoe enorm belangrijk en veelomvattend de rol van de bodediensten was in de toenmalige samenleving!

Ach, het was kort na de oorlog allemaal nog gemoedelijker en gemakkelijker, denk ik. Nadat we naar Emmen waren verhuisd, wilden mijn andere grootouders ook iets (liefst veel) meekrijgen van mijn opgroeien. Per slot van rekening hadden zij hun oudste zoon verloren en mijn bestaan verzachtte dat enigszins.
In die tijd reden er bussen tussen Emmen in Groningen, maar er was gebrek aan materieel. Ik heb een beeld van een truck met trailer die als bus fungeerde. Er zaten banken en ramen in, maar het was natuurlijk geen “gewone” bus. Het kan een omgebouwde vrachtwagen zijn geweest, een snelle manier om een bus te bouwen, of anders voorheen militair materieel. De communicatie tussen truck en passagiersruimte was in zo’n bus, in die tijd, natuurlijk bijna afwezig. Misschien hebben ze toen het systeem met stop-knopjes en een signaleringslamp bedacht.

Trailerbusconductrice
Bron foto’s: Noordelijk Bus Museum. Was het deze conductrice?

Het personeel van een bus bestond toen steevast uit twee personen: een chauffeur en een conductrice. De chauffeur kon zijn aandacht volledig op de weg richten.  Het was minder druk, maar snelwegen had je toen ook nog niet. Alle dorpjes onderweg werden doorkruist. Gezeur over teveel bussen door het dorp had je toen niet, iedereen was blij vlak bij huis te kunnen instappen en niet op fiets of met de auto naar de halte aan de snelweg te moeten. Ja, zover liggen tegenwoordig de haltes vaak van de plattelandsdorpen!

De conductrice zorgde voor de service en de kaartverkoop. In mijn geval was dat voornamelijk service. Ik zal de eerste keer misschien een jaar of zes zijn geweest. Mijn moeder of haar vader bracht mij in Emmen naar de bus en kocht een kaartje naar Groningen. Mijn bestemming werd besproken met de conductrice, zodat ik niet voortijdig zou uitstappen. Ik wist dat de conductrice zou zeggen wanneer we op de plaats van bestemming waren. En dan? Nou, gewoon, mijn andere opa haalde me af in Groningen op het busstation. Er waren ook afspraken met mij en de conductrice wat te doen als opa er niet zou zijn, maar dat is nooit nodig geweest. En dat zonder mobieltje, of zelfs vaste telefoon!

Ik heb nog vaak met allerlei bussen gereisd. Van Groningen naar Hoogkerk-Vierverlaten kon je met de ESA (knalgele bussen met hardgroene accenten), GADO of NTM (beide olijfgroen), en tussen Emmen en Groningen reden de GADO en EDS -groen- (later met DABO -donkerblauw- samengegaan in DVM). Ook ben ik wel eens met een DAM-bus (helderrood met groene accenten) naar Appingedam geweest met mijn moeder, op bezoek bij “lange tante Mien“.

Al die busmaatschappijen zijn nu opgegaan in of vervangen door andere
busmaatschappijen, en de bussen zijn nu van een modernere snit. Nu maakt men zich druk om het ontbreken van camera’s bij sommige maatschappijen, en de invoering van de OV-chipkaart. Geen conductrices meer die kaartjes verkopen en aandacht voor de passagiers hebben, maar chauffeurs die in angst leven voor vandalisme en agressie…

Geplaatst in Zoektocht naar voetsporen van mijn vader | 4 reacties

Film van Groningen in 1916

Vervolg van de zoektocht naar de voetsporen van mijn vader.

Film_1

Ik citeer vandaag Gelkinghe, die ook weer "Via" beelden ontdekte van de stad Groningen, opgenomen in het geboortejaar van mijn vader: 1916.
Gelkinghe:

Er staat een prachtige film van Groningen uit 1916 op de VPRO-site ‘Eeuw van de stad’. Misschien moet je net als ik even reloaden om de beelden in het juiste, grote formaat op het scherm te krijgen – kijk anders hier – maar dan heb je ook wat. De maker is onbekend, maar diens impressies, vaak geschoten vanaf een tram, zijn vertoond in een Polygoon Bioscoopjournaal van 1928.

Mijn vader werd geboren in Hoogkerk, zo’n 5 km van Groningen. Hij ging, na de Lagere School, vanaf juni 1929 naar de Ambachtsschool in Groningen.
Deze filmbeelden zijn dus van 13 jaar eerder, maar geven, denk ik, een idee van het verschil met nu.
Delen van de stad die in WO2 zijn weggebombardeerd, staan er nog, maar het belangrijkste verschil is toch waarschijnlijk de mensen in het straatbeeld en hun manier  van zich verplaatsen.

Van 1960 tot en met 1966 heb ik zelf in de stad Groningen gewerkt en gewoond. Nadien was mijn contact met de stad veel minder intensief. Toch frappeert het me, dat ik vrij veel van de beelden herken.

Update 22:46: Ik realiseer me ineens dat mijn vader deze beelden nooit gezien zal hebben. Ze zijn vertoond in het  Polygoon Bioscoopjournaal van 1928. In die tijd was het voor gereformeerden "not done" om naar de bioscoop te gaan, laat staan om kinderen van Lagere-Schoolleeftijd aan zulk werelds geweld bloot te stellen!
Een verlichte dominee vertelde in mijn jonge jaren, dat er een christelijke club was opgericht, die stichtelijke films ging vertonen (later de CEFA?). Het werd dan echter geen "film" genoemd, maar "trilbeelden"…

Geplaatst in Zoektocht naar voetsporen van mijn vader | 5 reacties

De dienstplichtige soldaat in crisistijd en het meisje

Vervolg van de zoektocht naar de voetsporen van mijn vader.

In oktober 1936 moest mijn vader als dienstplichtig militair in dienst. Hij was ingedeeld bij de Genietroepen en werd gelegerd in de Kromhoutkazerne in Utrecht. Die is inmiddels afgebroken en vervangen door nieuwbouw.
Zijn eerste post naar huis was een briefkaart, die hij schreef op 20 oktober. Er is een tijd geweest dat zelfs van bewaarde post de postzegels werden afgeknipt om in het verzamelaarscircuit te belanden. Op deze manier werd geld voor goede doelen bijeengesprokkeld, bijvoorbeeld voor "de Zending".
Zo ook van deze briefkaart; het gevolg is dat er tekstfragmenten verdwenen zijn die tegenover de postzegel zaten:

Lieve ouders en broers

[ ….. ] hier om half zes aangekomen en konden [ ….. ] tafel gaan. Het heeft uitstekend gesmaakt. Me dunkt dat het hier wel uit te houden is. Ik moet nog even zien een hangslot te krijgen op m’n kastje.

Uit de eerste brief vanuit Utrecht, die hij op 1 november schrijft, blijkt waarvoor dat hangslot nodig was:

Vrijdag heb ik een briefkaartje gestuurd maar nog vergeten te schrijven wat we Donderdag beleefd hebben. ’s Avonds, na het eten, kwam een der jongens van onze kamer tot de ontdekking dat z’n portemonnai, die hij in z’n broekzak aan z’n kastje had hangen, leeggehaald was. Er was ruim drie gulden uitgestolen. We mochten geen van allen de kamer verlaten en direct werd de militaire politie er bij gehaald. Al onze kasten en kleren werden nagezien en ook onze portemonnais werden gecontroleerd. We moesten zeggen waar we ons geld vandaan hadden en er werd bij gezegd dat er bij ons thuis navraag zou worden gedaan wat we hadden meegekregen. U moet dus niet schrikken als er werk van gemaakt word. Eindelijk kreeg ik nog permissie om naar het Tehuis te gaan om te zien of er post voor me was. Ik geloof niet dat de dader al gevonden is, maar van onze kamer zie ik er geen voor aan. Het kan evengoed een van een andere kamer geweest zijn.
Mijn geld heb ik in bewaring gegeven aan mijnheer Begeman in het Tehuis. Er zijn wel meer die dat doen en wanneer we iets nodig hebben kunnen we het opvragen. Een beetje kleingeld heb ik bij me gehouden maar de rest à f 8,50 heb ik in bewaring gegeven, dat lijkt me wel zo veilig.


Slaapkamer der manschappen

Mijn vader werkte als timmerman in de bouw. Het zal nogal  wennen geweest zijn voor hem. En het waren andere tijden, waar dienstplichtige militairen met nauwelijks "zakgeld" etenswaren en geld toegestuurd kregen van thuis:

We genieten een salaris van f 1,09 per week. Hier in het Tehuis waar ik nu ben zijn op ’t ogenblik 30 jongens. Er zitten te schrijven, te praten, te lezen, te dammen enz. Westra van Den Horn is er ook. Verder één uit Grotegast n.l. Zwieringa, een neef van Sietze Hollander uit Roden is hier ook. Meijer heet die. Van de anderen begin ik ook al enkelen te kennen.
Vanmiddag hebben we soep, aardappelen met jus, karbonade en tottie fruttie gegeten. Het eten is bij de Genietroepen uitstekend. Alleen boter krijgen we zuinig maar toch genoeg. Tot de Kerstdagen kan ik me nu best redden met de boter die U gestuurd hebt. Het laatste stuk koek heb ik vanmiddag met een paar andere jongens gedeeld.

Op 17 november 1936 schreef hij zijn tweede brief naar huis.  Hij had de weg gevonden naar het Protestants Militair Tehuis (PMT) waar "onze jongens" verantwoord werden opgevangen in hun vrije tijd, maar blijkbaar was hij geblesseerd geraakt.:

Lieve ouders en broers.

Voor brieven schrijven heb ik nu tijd genoeg want ik mag niet de stad in, dus ook niet naar het Tehuis. M’n been is weer zover klaar dat ik weer een beetje rondloop maar niet buiten de kazerne mag komen. Morgen ook niet. Uw brief heb ik ontvangen (die van Aallie en Geert). Laat ze maar gauw weer eens schrijven, waarover kan me niks schelen als er maar wat in staat. Allen nog goed gezond? Ik wel, alleen nog een beetje een pijnlijke poot.
Het spijt me dat ik nooit gijmnastiek gedaan heb want ik ben zo stijf als een deur, dat merk ik nu wel. Als ik lenig was geweest had ik m’n been ook niet verrekt. Nog een paar dagen vrij van lopende dienst en dan hoop ik dat ’t weer klaar is. ’t Minste is dat ik niet naar het Tehuis mag, en ook niet naar de kerk.

Dat mijn vader stevig gereformeerd was opgevoed blijkt hieruit wel. De afkeer van de grote boze wereld der heidenen, cafébezoekers en andere slechterikken was hem effectief bijgebracht:

Ik heb een paar mooie boeken voor morgen. Die heeft een korporaal voor me meegenomen uit het Tehuis. Hier in de cantine is ook wel een bibliotheek maar van twijfelachtig gehalte. In de cantine kom ik trouwens ook bijna nooit, ’t is net een café.

Ze waren met 4 broers, mijn vader was de oudste. Geert, zijn jongste broertje, had hem blijkbaar een brief geschreven:

Geert wou graag weten wat voor eten of we kregen dus heb ik maar een lijstje gemaakt van een hele week. De Genie heeft een goeie keuken. Alleen bij het brood krijgen we meestal niet teveel boter en wat er verder bij hoort.
Maar we mogen niet klagen! (anders komen we onder de toren)

  ontbijt-soupér dinér
Zondag kug met ontbijtspek aardappelen, peren, pudding, sagopap
Maandag kug met koek aardappelen met savoiekool, gehakt, havermoutpap
Dinsdag kug met br. suiker stamppot met worst en rijstepap
Woensdag kug met kaas aardappelen met koolr. en soep
Donderdag kug met koek erwtensoep (snert) en karnemelksepap
Vrijdag kug met kaas aardappelen met spruitkool en rijstepap
Zaterdag kug met niks aardappelen met rundvleesch en uien

aardappels altijd zwemmend in vet en jus. Altijd weer wat anders en "Verandering van spijs doet .. eten", dus …..

Het was crisistijd, de gewone man had niet veel te bes
teden. De soldij was bespottelijk laag. Ten tijde van deze brief was mijn vader al bijna een maand in dienst, en blijkbaar waren er nog geen uniformen uitgereikt, dus liepen ze nog in hun burgerkleren.
Als je vanaf Utrecht naar Groningen moest om een weekendje thuis te zijn, kostte de treinreis, ondanks korting voor dienstplichtige(!) militairen blijkbaar nog 5 gulden: daar moest hij dus 5 weken voor sparen en niets van zijn soldij aan iets anders uitgeven:

Het zal wel niet lang meer duren dat we de uniform aankrijgen. Volgende Zondag hoop ik er in te lopen.
M’n pakje wordt er hier ook niet beter op zoals U wel kunt begrijpen. De eerste dagen liepen we altijd in burger en toen heeft het nogal wat geleden. Van het hangen wordt het hier ook vuil. De meeste jongens zijn Zaterdagsmiddags en Zondags naar huis zodat we het hier nogal ruim hebben.
Ik zal wel tot de Kerstdagen moeten wachten want een kaartje komt mij met reductie nog op meer dan 5 gulden en dan kan ik ’s avonds (zaterdags) thuis zijn om Zondagsmiddags weer te vertrekken. Dat is de moeite en het geld dus niet waard. Nog even en die vijf maanden zijn weer om en vervelen hoef ik me hier niet. Als ik niet weet wat ik doen moet schrijf ik U een brief of een aan m’n meisje. Bent U daar altijd nog op tegen Moeder? Dat zou me wel spijten want ik meen het werkelijk, daar is niets aan te doen.

Ik schreef al eens dat mijn moeder 5 jaar ouder was dan mijn vader. In 1936 was hij 20. Dat leeftijdsverschil verklaart misschien de moeite die mijn grootmoeder toen had met de verkering van mijn vader en moeder.

Het is allemaal goedgekomen, 6 jaar later zijn ze getrouwd. En natuurlijk is alles  overschaduwd door het vroege overlijden van mijn vader. Ik heb nooit iets gemerkt van een gespannen verhouding tussen mijn moeder en mijn oma. Misschien heeft mijn komst, als eerste kleinkind, daar wel toe bijgedragen. Als ik in de zomervakanties bij opa en oma werd geparkeerd, dan kwam mijn moeder vaak een paar dagen van Emmen naar Hoogkerk, ruim 60 kilometer fietsen. Hier staat ze klaar om weer terug te fietsen.

Geplaatst in Uncategorized | 5 reacties

Jan Pen

Ik ben geen econoom, mijn universitaire opleiding reikt niet verder dan Loopjongen ("Leerling Bediende") en later Technisch Assistent, maar het bericht van het overlijden van Jan Pen roept wel een persoonlijke herinnering bij mij op.

Jan Pen was hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen van 1956 tot 1986. Ik werkte bij de Rijksuniversiteit Groningen van 1960 tot 1966. Hij zat bij de Economische faculteit, ik werkte bij het Natuurkundig Laboratorium. Met de spreiding van alle mogelijk instituten over de hele stad en omgeving was de kans dat we elkaar tegenkwamen niet zo groot. Alhoewel, als loopjongen kwam je nog wel eens ergens!
In onze "gezamenlijke periode" heeft er een voetbalwedstrijd plaatsgevonden, waar ik een herinnering aan overgehouden heb. In elk geval het ene team bestond uit hoogleraren.

Vanuit ons eigen "Lab" werd er ook wel eens iets van dien aard georganiseerd, zoals een zeilmiddag op het Paterswoldse meer. Of een voetbalwedstrijd. Er was dan een team van medewerkers uit de technische werklaats en instrumentmakerij, altijd de sterkste ploeg. Verder een team van wetenschappelijke medewerkers, van student tot lector, die zich WWW (het idee van internet was nog ver weg) noemden, dat stond voor "Wetenschappelijke Wedstrijd Winnaars". De overige spelers verzamelden zich in VAW: "Van Alles Wat". Daar hoorde ik bij, al was ik niet bepaald een goed voetballer.

De voetbalwedstrijd waar ik het eerst over had, omvatte meerdere faculteiten, anders had er nooit een team van alleen hoogleraren gevormd kunnen worden. Reconstruerend kom ik tot de conclusie, dat deze bijzondere wedstrijd een bijzondere universitaire aanleiding moet hebben gehad, en ik kom dan uit in 1964. Toen bestond de Rijksuniversiteit Groningen 350 jaar. Daaromheen werden allerlei festiviteiten georganiseerd.
Ook deze heugelijke voetbalwedstrijd. Nou ja, één verschijnsel daaruit. De doelman van de hoogleraren is me bijgebleven, en dat was Jan Pen. Hij zal toen 43 zijn geweest. Ik was een toeschouwer van 21.

Hij wekte niet echt de indruk van een geroutineerde sporter, want hij stond met een grote sigaar bij een van de doelpalen. Hij leek daarbij het toonbeeld van de spreekwoordelijke "tevreden roker", maar bleek toch zijn aandacht bij het spel te hebben. Telkens als de bal dreigde in de richting van zijn doel te komen, bracht hij eerst zijn sigaar in veiligheid, alvorens zijn plaats in het midden van het doel in te nemen. Ging de bal weer de andere kant op, dan werd de sigaar weer in ere hersteld.
De uitslag van die wedstrijd? Een humoristische herinnering…

Dank je, Jan Pen, voor de glimlach die ik steeds weer op mijn gezicht ontdekte als ik je naam hoorde!

Geplaatst in Uncategorized | 3 reacties

De Kloete

Zo luidde de bijnaam van een van onze leraren op de LTS. Hoe hij aan die bijnaam kwam ben ik nooit te weten gekomen. Van 1957 tot 1960 heb ik enkele uren per week les van hem gehad. (zie ook hier).
Woensdag kwam hij in mijn herinnering door een telefoongesprek met een schoonzus. Het ging over het belang van kennis.

Meneer Arends (zijn echte naam) was onze leraar Technische Beginselen. Hij vertelde een verhaal over een fabriek, die geheel tot stilstand was gekomen, omdat een belangrijke machine het had begeven. Iedereen in het bedrijf die ook maar iets van die machine wist, was er al bij geweest, maar niemand kreeg hem aan de praat.
Dus werd er iemand opgetrommeld van de fabriek waar die machine gemaakt was. Keurig in het pak, met een aktentasje onder zijn arm kwam hij binnen. Hij stelde een aantal vragen, liep eens om de machine heen en inspecteerde alles er omheen. Hij stelde nog twee vragen aan de mensen die er altijd mee werkten. Toen pakte hij een hamertje uit zijn tas, deed zijn jasje uit, stroopte één mouw op. Hij maakte een deurtje van de machine open en gaf binnenin een tikje met zijn hamertje.
"Zo," zei hij, "probeer het nu nog maar eens." En de machine liep weer als een tierelier.
Iedereen blij, iedereen hard aan het werk om de achterstand in te halen, en de man werd vriendelijk bedankt.
Een week later kwam de rekening, zegge HFl. 100,00 (het waren de 50er jaren). Nader gespecificeerd: HFl. 1,00 : klap met hamer; HFl. 99,00 : weten waar de klap te geven.

Dezelfde leraar vertelde waarom er afschermkapjes over draaiende delen van machines moeten zitten. In een fabriek kwam een man met de mouw van zijn overall tussen een paar tandwielen, omdat daar een afschermkapje ontbrak. Voordat iemand de machine had kunnen stoppen, was een deel van de arm van de man vermorzeld. Tragisch voor de man, en het kostte het bedrijf nog heel veel geld ook, want de man kon niet meer werken door het in gebreke blijven van het bedrijf. Het ontbrekende afschermkapje werd toen in allerijl gemonteerd. Het kapje kostte HFl. 2,50…

Meneer Arends gaf ook Technisch Tekenen. Voor het begin van de eerste les na de grote vakantie was het een puinhoop in het tekenlokaal: er werd met vliegtuigjes gegooid en geduelleerd met tekenhaken. Het geluid van een herfststorm werd aardig benaderd.
Meneer Arends kwam binnen, de deur zat achterin het lokaal. Met zijn aktentas in de hand liep hij onverstoorbaar door het zijpad dat hele lange lokaal door. Hij zette zijn tas op de balie waarin alle tekeningen werden opgeborgen, trok zijn jasje over zijn hoofd, dook achter de balie en brulde boven alle lawaai uit: "Ik heb vannacht gedroomd dat het vandaag in 3E heel rustig zou zijn!"
Daarmee had hij de lachers op zijn hand. Maar iedereen kende hem, en wist ook dat er met hem niet te spotten viel. Hij hoefde nooit iemand naar de directeur te sturen!

Zo had een van mijn klasgenoten een keer, voor aanvang van de les, een punaise op zijn stoel gelegd. Zo’n tekenles duurde 100 minuten. In dit lokaal was de deur vóór in het lokaal. Meneer Arends kwam binnen, zette zijn tas weg en gaf opdracht om de tekeningen uit te delen. Hij ging zitten zonder enig blijk van punaisegevoeligheid. Geloof het of niet, die opdracht ging naar de jongen die de punaise had geplaatst. Iedereen ging aan het werk. Meneer Arends gaf zittend uitleg wat vandaag de bedoeling was en verdiepte zich vervolgens in een boek. Vragen beantwoordde hij vanaf zijn stoel.

Pas halverwege de les kwam hij overeind en liep eens even bij iedereen langs. Kort voor het einde van de les werden alle tekeningen en tekengereedschappen opgeruimd. Huiswerk werd genoteerd en tassen gesloten.
Iedereen stond al in de starthouding naast zijn tekentafel toen de zoemer ging. Er was niets gezegd over de punaise. Geen blijk van ongemak, niets!

Maar toen iedereen naar de deur stormde, stond meneer Arends in de weg en hield de deur dicht: "Eerst nog even iets anders, jongens. Ga even terug naar je plaats."
"Wie heeft er een punaise op mijn stoel gelegd?" Geen reactie; je klasgenoten verraden doe je niet.
"Jongens, ik vraag het nog één keer, en als ik geen antwoord krijg, blijven jullie allemaal na, laten we zeggen tot zes uur." Het bleef nog een poosje stil, toen stak Jan zijn vinger op: "Ik heb het gedaan meneer." Jan stond bekend als een sportieve vent, hij wou niet dat we allemaal de pineut waren. Hij wist ook dat er jongens bij waren die een uur nodig hadden om naar huis te fietsen. Zelf woonde hij op loopafstand.
"Oke Jan, kom maar even bij me staan." Hij pakte Jan, die een kop groter was, bij de schouder: "Draai je maar even om." Jan kreeg een schop in z’n kont: "Zo, nou zijn we quitte. Maar als ik morgen bloedvergiftiging aan m’n reet heb, dan is het jouw schuld. En nu kunnen jullie gaan. Tot volgende week".

Ook gepubliceerd op: Driemaaldrie – "herinneringen".

Geplaatst in Uncategorized | 3 reacties